Ontstaan
Geschiedenis van het blaasorkest
1830-1860: doorbraak van het blaasorkest
In deze periode kennen de harmonies en fanfares hun grote doorbraak. In het algemeen is er wat de blaasmuziek betreft een kwantitatieve toename gedurende de ganse 19de eeuw tot aan de tweede wereldoorlog. De 'Exposé de la situation du Royaume' in 1851 vermeldde 461 harmonies en fanfares in België. Dit is de periode dat de militaire kapellen zich tot grote blaasorkesten zullen ontwikkelen en zich van louter militaire functies naar de concertpraktijk zullen richten. Het is ook de eeuw waarin noch publiek noch componisten een hiërarchisch onderscheid maken tussen blaasmuziek en symfonische muziek. Voor de verspreiding van de klassieke muziek spelen de blaasorkesten in die periode trouwens een voorname rol.
1860-1880 : kwantitatieve explosie
Voor 1880 vermeldt het jaarboek van J. Dufrane 1203 harmonies en fanfares. Een aantal hypothesen die deze explosie trachten te verklaren zijn de mentaliteit na de Duits-Franse oorlog (men wilde feesten en muziek maken) of deelname aan het monsterconcours van 1880 naar aanleiding van de 50ste verjaardag van België. Uit deze periode dateren de nationale en internationale tornooien met een pracht en praal die nu nauwelijks nog voorstelbaar is. De meest waarschijnlijke hypothese is dat het in die tijd een modeverschijnsel werd dat ieder dorp een eigen muziekvereniging had. De verenigingen hebben een sterk gemeenschapsvormende waarde en ook de intrede van de politieke verdeeldheid heeft in deze periode een gunstige invloed op de blaasmuziek. Politieke rivaliteit tussen verschillende strekkingen leidt tot scheuringen en het oprichten van politiek geprofileerde verenigingen. Onder impuls van de dorpspolitiek krijgen zelfs kleinere gemeenten algauw twee of drie maatschappijen. Bovendien kennen we in deze periode een enorme expansie van het verenigingsleven: cultuur en ontspanning zijn twee factoren om zich binnen de blaasmuziekwereld te gaan verenigen.
1880-1914: verdere uitbreiding
Het aantal verenigingen blijft toenemen in deze periode, zij het minder imposant. Voor 1910 geeft Robert Wangermée de volgende cijfers voor Vlaanderen: 734 fanfares en 246 harmonies. De eerste wereldoorlog zou echter een stilstand teweeg brengen in het gehele culturele leven. De organisatie van optochten en feestelijkheden wordt verboden en de harmonies en fanfares organiseren geen concerten meer.
1919-1940: een hernieuwde start
Hoewel de cijfers sterk van elkaar verschillen, kunnen we concluderen dat de eerste wereldoorlog slechts een tijdelijke inzinking teweeg brengt. De meeste verenigingen hervatten, vaak meegesleept in een naoorlogse feestroes, hun muzikale activiteiten. Vóór de tweede wereldoorlog is de situatie van de muziekverenigingen echter weinig rooskleurig. De slechte economische situatie van de jaren dertig vermindert de culturele belangstelling. De aangroei van nieuwe verenigingen stopt en andere verenigingen staken hun activiteiten tot na de tweede wereldoorlog. Het begin van de tweede wereldoorlog geeft de doorslag voor het stilleggen van het muziekleven.
1945-1971: een lichte daling
Op het einde van de jaren 30 zouden er in België 3000 harmonies en fanfares bestaan, in 1950 worden bij een telling op initiatief van het Muziekverbond van België nog 2517 verenigingen geteld waarvan 1967 harmonies/fanfares. De tweede wereldoorlog veroorzaakt een nog grotere maatschappelijke verschuiving dan de eerste en beide oorlogen hebben de rangen van de blaasmuziek gedund. Op sociaal-economisch vlak is de naoorlogse periode enorm expansief waardoor de levensstandaard enorm verhoogt. Deze moderne welvaartsstaat biedt ruimte voor een spectaculair aanbod aan ontspanningsmogelijkheden. Het veld van cultuur en vrije tijdsbesteding wordt enorm verruimd en gedifferentieerd. De concurrentie met deze alternatieve ontspanningsmogelijkheden en het intreden van de moderne media, de commerciële muziek en de toenemende consumptiemaatschappij brengt de muziekverenigingen in een crisissituatie.
1972-vandaag: het begin van een sterk dalende trend
Vanaf de jaren 1970 zien we een accentverschuiving van kwantiteit naar kwaliteit: deze hoopvolle uitdaging blijft tot vandaag een feit. De kwantitatieve neerwaartse trend lijkt vandaag omgebogen dankzij een betere organisatie, het aanbod van muzikale kwaliteit, de verjonging en vervrouwelijking en de samenwerking met het muziekonderwijs. Tot de jaren '70 blijft het aantal verenigingen dalen - de politieke, sociale of ideologisch geïnspireerde verenigingen verdwijnen. De 'grote muziek' heeft de blaasmuziek weliswaar in het kamp van de 'amateurs' geduwd maar het medium weet zich goed te herbronnen. Het samenbundelen van de krachten rond kwaliteit zal de korpsen tot vandaag verenigen. In Vlaanderen valt in deze periode de introductie op van de brassband (vanaf het midden van de jaren '70) en het toelaten van niet-conventioneel bezette orkestvormen (vanaf de jaren 1990).
uit "Harmonies en Fanfares", een uitgave van het Gemeentekrediet van Belgie.